{title}

Glas

Al het glas dat nu gemaakt wordt voor ruiten heet floatglas. Deze methode werd in 1952 uitgevonden door Pilkington: men giet het gesmolten glas bovenop een bad van gesmolten tin. Het glas is lichter dan het tin, waardoor het er bovenop blijft drijven. Gesmolten metalen hebben een perfect vlak oppervlak en op deze manier is ook (de onderkant van) het glas perfect vlak. De oppervlaktespanning van het glas zelf zorgt voor een perfect gladde bovenkant. De floatglasmethode wordt vooral gebruikt voor het maken van grote glasplaten (6,0 x 3,21 m). Het wordt toegepast in een continu gietproces: aan één kant wordt het vloeibare glas op het vloeibare tin gegoten, aan de andere kant wordt de gestolde glasplaat verder afgekoeld en in gewenste afmetingen gesneden. Men kan naar wens de dikte van de glasplaat variëren tussen 0,4 en 25 mm. Momenteel wordt zo'n 90% van alle glas volgens deze methode gemaakt. De enige Nederlandse floatglasfabriek staat in Tiel en produceert per dag 50.000 m² glas, teruggerekend naar een dikte van 4 mm.

Glas kan op heel veel manieren bewerkt worden. In vorm snijden, de zijkanten in facet slijpen en teksten stralen is met name voor grafmonumenten van belang. Ook kan in speciale ovens platen glas aan elkaar gesmolten worden (fusen). Zo kunnen panelen gemaakt worden van 38 mm dik, uit twee ruiten van elk 19 mm. Glas heeft geen onderhoud nodig, afgezien van schoonmaken, met water en zachte zeep.

Glas

 

Glas

Onderstaande voorbeelden laten zien hoe ik met het materiaal gewerkt heb.